Latijn huiswerk

Betekenissen van woorden opzoeken. Naamvallen bepalen. Of althans een poging doen. En dan van het geheel mooie zinnen brouwen.

Latijn is zo makkelijk nog niet.

Gelukkig is er dan een grote broer die wel helpen wil. Die met zijn lange lijf bij je op je bureaustoel kruipt en ernstig met je mee puzzelt, tot er zowaar wat zinnigs op papier staat.

Weekenden (werkwoord)

Dit lange weekend voelt als een zichzelf steeds herhalende verrassing, omdat we elke weer denken dat het vast al wel zondag moet zijn, maar er dan tóch weer achter komen dat we daar nog niet zijn aangekomen, en dus nog wat heerlijke vrije dagen voor de boeg hebben.

*

Het is zaterdag en we worden lui wakker, met kopjes thee en lezen in bed, heerlijk uitgestrekt of, zoals bij haar, balancerend op een randje, omdat Bob ongemerkt steeds iets verder opschuift, en wij, zoals het keurige menswezens betaamt, in zo’n geval zonder uitzondering beleefd ruimte maken. Iets waar we tegen elkaar over met onze ogen rollen, ons afvragend waarom we dat doen als het toch zo ongemakkelijk ligt, maar de volgende keer schikken we ons weer net zo dienstbaar in deze blijkbaar onafwendbare rolverdeling.

Het is warm langs het hockeyveld. We zijn met z’n allen gekomen om de oudste kampioen te zien worden, maar de jongste twee zijn al snel, na wat gedraal langs de lijn, vertrokken naar een ander veld om daar met wat vriendjes en een bal zelf wat aan te prutsen.

*

Ik draaf wat af en aan met flessen water en voel tussen het juichen door gesprekken met mede ouders en andere personen die, aangezien ik hier niet alleen als moeder, maar ook als bestuurslid sta (nog wel), komen met vragen, opmerkingen of soms opgekropte frustraties. Ik luister daar graag naar, merk alleen elke weer opnieuw hoe beperkt het is wat je als enkel persoon kan doen, en hoe frustrerend dat vaak voelt, en hoe issues eigenlijk meestal bovenal liggen in de communicatie tussen personen. Wat dat betreft overweeg ik wel eens de #doeslief slogan op megagrote stickers te drukken en de hele wereld ermee te beplakken.

*

Ze winnen met gemak overigens, de jongens, iets dat al de hele competitie het geval is, en dat er voor zorgt dat ze maar met matig enthousiasme de felicitaties omtrent het kampioenschap over zich heen laten komen. Typisch is dat, hoe dingen toch meer als een prestatie voelen als je er in ieder geval een beetje voor hebt moeten strijden…

Het wordt langzaam donker. In het laatste restje daglicht schiet ik nog snel een plaatje van een klaproos. Enkele dagen geleden was ik nog met de middelste op zoek naar klaprozen en konden we ze nergens vinden. Nu lijkt het alsof iemand er een blik van heeft opengetrokken en zijn ze overal tot bloei gekomen. In de avondbries lijken de papieren blaadjes nerveus te trillen, en ik pas op ze niet aan te raken, bang om ze met een onvoorzichtige beweging te beschadigen.

*

De terrasjes zitten vol op deze zoele avond. Het geroezemoes en getinkel van glazen wordt af en toe ruw verstoord door de opgewonden kreten vanuit een televisiescherm, waarop te zien is hoe Liverpool de Champions League wint.

*

Ik dans achteruit, mijn telefoon in mijn hand voor een foto van de klokkentoren, en bots bijna tegen een vriendelijke oudere meneer op, die blijkbaar een soortgelijk plaatje wil maken, met zijn camera al in de aanslag. Hij laat me trots wat foto’s zien die hij eerder die avond heeft gemaakt. Als ik hem complimenteer met zijn creaties grinnikt hij wat verlegen. “Ik weet ook niet hoe die camera het doet”, verklapt hij, me duidelijk plezier. “Ik druk alleen maar op het knopje en de rest gaat vanzelf. Grappig he?”

Hij is zijn telefoon kwijt. Het is zondagochtend en we zoeken het hele huis af, en de auto, bellen opa en oma, voor het geval dat hij daar is blijven liggen, en de telefoon zelf, die vast leeg is, want we krijgen direct zijn voicemail. We vinden hem niet, al zal hij vast ergens in de komende dagen opduiken op een onverwachte plek, of juist op een plek waar iedereen van zal zeggen dat ze daar gezocht hebben, maar dat hij er niet lag. Zo gaat dat wel vaker.

*

De oudste verdwijnt naar het zwembad, want, zo redeneert hij, met deze warmte is er niets beter dan lekker onderuit liggen op het gras, iets waar ik het wel mee eens ben, dus ik kijk met enige verwondering naar hoe, nadat de middelste is teruggekomen van een slaapfeestje, de jongste twee op straat een fanatiek potje staan te voetballen. Als ze weer binnenkomen hebben ze rode wangen, en sprankelende ogen.

*

We halen perzik yoghurt voor het toetje vanavond, ijsjes voor nu, en een berg fruit voor een salade bij de frietjes straks, om het geheel van deze dag nog de illusie van gezondheid te geven. En omdat het gewoon lekker is natuurlijk. Zomer en fruit. Twee favoriete dingen.

*

Het is avond en ze zijn allemaal weer binnengedruppeld. Tijd voor een laatste spelletje, een koele douche voor het slapengaan en dan een stevige welterusten-knuffel. Morgen start de week weer. Het weekend is voorbij.

Geknipt voor de zomer

Ik ben niet zo goed in nee zeggen. Ja gaat me veel makkelijker af. Ik dacht eerst dat dat te maken had met de angst mensen teleur te stellen, of de neiging mensen blij te maken, maar ik begin me steeds meer te realiseren dat het niet zoveel met anderen te maken heeft, maar bovenal met een soort faalangst in mezelf, het idee dat ik alles moet kunnen, alles moet doen, om te bewijzen dat… ja, wat eigenlijk? Dat ik er mag zijn, denk ik

*

Het is een vrije dag, zo na Hemelvaart, dus we beginnen rustig, ruimen wat op in huis, ik schrijf wat, de kinderen spelen wat, en dan besluiten we naar de kapper te gaan. Het lukt me niet om online een afspraak te maken, maar ze hebben eigenlijk altijd wel plek, dus we gaan er op goed geluk heen. Het blijkt dat er meer mensen waren die dat dachten, waardoor er dit keer nog maar een plekje is voor één persoon. Aangezien de jongste bijna niets meer ziet vanachter zijn gordijn van haren besluiten we dat hij het moet worden. Ik houd hem gezelschap, de oudste twee gaan het dorp in, op zoek naar een cadeautje voor haar vriendinnetje, dat vandaag haar verjaardag viert.

*

Na de kapper strijken we even neer op een terras voor een ijsje. De zon brandt op onze wangen, en ze kijkt me genietend aan. “Nu voelt het echt als zomer”.

Even stil staan

Het blijft toch typisch, hoe wanneer we vroeg op moeten staan het bed zo zalig voelt dat ik denk, en verlang, nog uren door te kunnen slapen. Maar wanneer de mogelijkheid tot uitslapen er is, ik steevast vroeg wakker ben, en met geen mogelijkheid meer kan blijven liggen. En ik hoor het mezelf nog zó zeggen: “Morgen slapen we uit!” Uh huh.

Uiteindelijk is het niet erg natuurlijk, want wat extra dingetjes van to do lijstjes kunnen afvinken is óók prettig, en gezellig samen wat aanrommelen in huis ook, dus we stappen uiteindelijk alsnog met een uitgerust en opgewekt gevoel de auto in, op pad naar opa en oma, met onderweg de gebruikelijke discussies over welke radiozender er geluisterd moet worden, onderbroken door luid meezingen met de nummers die we allemaal leuk vinden, of alleen door ons, oudjes, soms met een portie headbangen erbij, terwijl de achterbank met opgetrokken wenkbrauwen toekijkt (‘Serieus mam?’). Tja…

Als ik in de achteruitkijkspiegel kijk en de gezichten op de achterbank bestudeer ben ik ineens weer jaren terug, net zo, in de auto, op weg naar IJsselmuiden, maar dan met een baby, een peuter en een kleuter, en het altijd aanwezige gevoel volledig opgezogen te worden in dat hele kindergebeuren, met al dat kleine en kwetsbare, en het besef van verantwoordelijkheid daarvoor, dat me soms zo tot in het diepste van mijn zijn beangstigen kon. En zie ze nu eens zitten.

Ik glimlach opzei, en als ik zeg “Kijk ze nou, ze doen het nog steeds allemaal, en nog best aardig ook”, grijnst hij ook, begrijpend, en geven we elkaar een heimelijke high five. Op de achterbank zijn de twee oudsten aan het dollen, de jongste is in slaap gekukeld.

We komen op de snelweg langs velden vol met klaprozen, waarvan ik uiteraard vergeet een foto te maken, en dat herinnert haar eraan dat ze nog met haar herbarium voor school verder moet.

Ze vraagt haar opa of hij wil helpen zoeken, en samen gaan ze op pad, een tas en een schaartje mee, en een app, waarmee zij planten kan determineren, wat hij maar grappig vindt, en echt iets van deze nieuwe generatie.

Ik drentel achter ze aan, mijn telefoon in mijn hand. Ik ben momenteel aan het proberen wat meer met mijn telefoon te fotograferen, omdat ik mijn camera zo zwaar vind, en onhandig om mee te sjouwen, met al die lenzen, Maar ik mis het schieten, het schrijven, het stil staan bij de verschillende gewone en daardoor eigenlijk juist speciale momentjes in het leven. Dus nu probeer ik dit, en ik zie wel waar het me brengt.

Ze verzamelen een schat aan boomblaadjes en kleine plantjes, vermaken zich kostelijk met een kudde eenden die er stug van overtuigd lijkt te zijn dat in dat tasje toch écht brood voor ze moet zitten en dus de achtervolging inzet, en uiteindelijk vinden ze zelfs nog klaprozen. Missie geslaagd.

Weer terug wordt alles zorgvuldig op tafel uitgespreid. Ze schrijft etiketjes, om de namen niet te vergeten, en in een paar oude boeken worden de plantjes liefdevol tussen zachte papiertjes weggestopt, om rustig te drogen.

In de voorkamer klinken gedempt de klanken van het intro van”I would stay” van Krezip, iets dat hij op de piano aan het oefenen is voor school, en dat ik sindsdien met geen mogelijkheid meer uit mijn hoofd krijg.

De avond begint al te vallen, iets dat je haast niet zou zeggen, als je kijkt naar hoeveel licht er nog is, al wordt het al wel wat zachter en warmer als we, na het diner, nog even een paar potjes sjoelen met z’n allen.

“Nog maar een paar weken, en dan is het alweer zomervakantie”. Ze zijn aan het tellen in de auto op de terugweg. Nog een paar weken, vol met schoolreizen, uitwisselingen, proefwerkweken en de hectiek van de afronding van clubs en hockeyteams, druk en gezellig. “Nog maar een paar weken!” De oudste twee vinden dat al best snel komen. De jongste vindt het nog héél lang.

Ik glimlach even, en bedenk me hoe mijn moeder ooit zei dat de tijd steeds sneller gaat, hoe ouder je wordt, en dat ik hem soms best even stil zou willen zetten, die klok, om bepaalde momentjes of dagen nog net wat langer vast te kunnen houden.

Lente in Borne

“Heb je een muntje, mam?” Ze kan het niet laten. Elke keer dat iemand een muntje in het bakje voor het levende standbeeld bij de Oude Kerk gooit, stampt de bisschop (of ‘schijnheilige’, zoals op het bordje staat – in zijn vingers klemt hij ook een zaklantaarn) stevig met zijn staf op de grond en slaakt er een luide kreet bij. Wat ze enorm grappig vindt, maar ook wat eng, waardoor ze even om hem heen cirkelt, waarna ze van een afstandje het muntje in het bakje mikt. Heldin dat ze is.

Het levert haar wel een spekje op, en een knipoog, dingen die je toch niet elke dag krijgt van een bisschop van steen.

Het is lente, jongens, lente! En ook al leek het er aan het begin van het weekend, toen we tussen grote sneeuwvlokken door stonden te kijken naar de hockeywedstrijden van de kinderen – iets waarvan we gezamenlijk besloten dat dát toch wel echt te gortig was, sneeuw, in april, kom óp zeg – nog niet helemaal op, het lente gevoel begint toch stiekem overal doorheen te sijpelen.

Het zit ‘m in de prachtige bloesems die je overal begint te zien, met zware, volle takken over heggen hangend, als om te zorgen dat je er echt niet omheen kan, wat geheel terecht is natuurlijk, want zo iets moois moet ook uitbundig bewonderd worden. Het zit ‘m in het niezen en proesten bij ons thuis, wat erg irritant is, maar ook weer zo heel erg bij deze tijd van het jaar hoort, en in het meer en meer aanwezige, en oh zo zalige steeds warmer wordende zonnetje.

Bij de lente hoort ook ‘Het Beste van Borne’. Onze oudste mag er spelen, op zijn gitaar, in zijn eentje op het podium, wat hij doet met de voor hem zo kenmerkende concentratie, waardoor de rest van de wereld niet lijkt te bestaan, al glundert hij wel even als hij wordt aangekondigd als een heuse ster. We schuifelen in colonne (want poeh, wat een mensen komen hier op af) langs de levende standbeelden – waarbij we ons steeds moeten bedwingen niet even te voelen, want het ziet er zo echt stenig uit, maar we durven het toch niet – en belanden even later in de Oude Kerk, waar het Borns Mannenkoor staat te zingen. Met daarin opa, die we er altijd bovenuit horen, en die, zo wijst mijn jongste me grinnikend, stiekem een I-pad in zijn klassieke map heeft verstopt. Hij ziet het al helemaal voor zich, neem ik aan, hoe opa, voluit Beethoven zingend, een spelletje Candy crush speelt.

Het plan was om daarna een ijsje te gaan halen, maar stiekem hebben we het toch nog wel een beetje koud. Oud Hollandse frieten worden het dan maar, uit een puntzak, die we opsmikkelen in het zonnetje, terwijl we luisteren naar hoe de meneer die curry worst verkoopt vanuit zijn kraampje de sterren van de hemel zingt.

Lente! Ik ben zo blij dat je er bent.

Die winter toch

Ik ben eigenlijk niet zo heel goed in de winter. Begrijp me niet verkeerd, de sneeuw is prachtig, en ik ben gek op de wisseling van de seizoenen – kan dus ook heel content zijn als het kouder wordt en alles extra knus, we ons weer in dekentjes wikkelen en het warme kopje thee nóg lekkerder smaakt – maar iets in mij kan niet zo goed overweg met de combinatie van donker en koud. Ik word daar een beetje somber van, er komt een gewicht aan mijn middel te hangen dat ik niet weet af te schudden en dat, ondanks dat ik het toch heel duidelijk elke keer weer opnieuw vertel dat het niet welkom is, toch ieder jaar weer opduikt, om zich met een triomfantelijk ‘tadaa’, weer in alle onbuigzaamheid aan me vast te ketenen.

Ik dacht nog even dat misschien, door de extra dosis zonneschijn en fijn in Oman, het dit jaar achterwege zou blijven, maar ergens halverwege januari merkte ik ineens hoe ontzettend ik niet wilde opstaan, eigenlijk liefst de hele dag onder de dekens zou blijven, in winterslaap tot de lente weer kwam. Wat natuurlijk niet werkt, met een sliert kinderen hier in huis, maar het zou soms wel heel lekker zijn.

Dus voor mij mag die lente wel komen. En in de tussentijd is het de kunst om toch de lichtpuntjes te vinden. Zoals de langzaam opkomende hyacinth op tafel, de wortels innig verstrengeld in de glazen pot. En hoe mooi valt het licht in de ochtend, als de zon, heel laag achter de gebouwen in de verte, een roze gloed laat vallen over het mistige weilandje van de boer om de hoek, waar in de zomer de lease koeien grazen, maar nu slechts een speeltuin is voor de katten uit de straat.

Ik doe net alsof het al mei is door overal op tafels tulpen te zetten, en maak wandelingetjes in het dorp, over de ronde keitjes en langs warm verlichte ramen, waarachter ook overdag een olijk haardvuurtje brandt. En als dan de zon ineens doorkomt, verandert alles van kleur, lijken de daken extra uitdagend rood, en hef ik mijn gezicht op om elk laatste straaltje te vangen.

Weer thuis maak ik een foto terwijl zij ernstig geconcentreerd met haar huiswerk bezig is, het licht van haar scherm er een klein schilderijtje maakt – “het meisje op een winterse dag” -, tegen de al donker wordende omgeving

En we spelen spelletjes, waarbij hij niet op de foto wil, alleen de details mag ik vastleggen, zoals de achterkant van zijn hoofd als hij leest, of zijn vinger, die een triominos steentje op haar plek schuift. Waarbij ik bedenk dat het uiteindelijk ook juist die details zijn, die haartjes in zijn nek, de kromming van zijn schouders als hij geconcentreerd bezig is, en dat warme, liefdevolle handje, dat zo fijn afwezig mijn wang strelen kan, die het meest zeggen, en waar het toch, uiteindelijk, om gaat.

Wit Sprookje

“Kom je mee naar binnen?” De kinderen staan te drentelen voor de deur. “Ik kom er aan”, zeg ik, “ga maar vast.”

De deur valt achter ze dicht. Om me heen daalt een stilte neer. Al de hele dag zijn de grappen over de sneeuw die maar niet viel, ondanks code geel, niet van de lucht geweest, maar net, juist toen we naar buiten liepen bij muziekles, viel er ineens een donsdeken over het dorp en veranderde alles in een sprookje.

De grillige takken van de krulhazelaar zijn versierd met een glinsterend laagje wit. Over het paadje in de tuin zijn kattenpootjes gestrooid, en zelfs de venijnig prikkende heg lijkt een stuk zachter met haar winterkleedje aan. De koele tinten van de sneeuw in de avond worden verwarmd door de straatlantaarns.

Mooi.

Veertien

“Sssst” Onze jongste kijkt me streng aan als ik net te hard wat bordjes opstapel. “Sorry”, mompel ik, en doe extra mijn best om zachtjes te doen. We zetten vast kopjes thee en dekken de tafel. Er is even stevig overleg nodig over wie waar gaat zitten (en dan vooral over wie naast de jarige job, en wie naast mama mag. We hebben nooit een vaste tafelschikking afgesproken, maar soms bedenk ik me dat dat helemaal zo gek niet zou zijn), maar dan zijn we er toch echt klaar voor.

Cadeautjes in de hand, sluipend naar boven. “Wacht, doen we happy birthday, of lang-zal-die-leven?”. Het wordt de Nederlandse versie – want we wonen in Nederland, duh – en dan knallen we los, al zingend in optocht de slaapkamer in, waar hij, al dan niet gespeeld, verrast nog net kan knipperen en gapen voor hij bedolven wordt onder knuffels.

“Maar wat als het dan allemaal over me heen druipt?”

Het is even later, het ontbijt en het uitpakken van de cadeautjes is achter de rug, en we staan in de keuken, waar hij me wantrouwend aankijkt. “Tja”, ik schokschouder, “dan heb je het dus niet goed stijfgeklopt. Dus als jij zegt dat het écht goed is zo, moet je het ook boven je hoofd op de kop durven houden.”

Ik grinnik even als ik het interne gevecht op zijn gezicht weerspiegeld zie. Maar dan trekt hij toch de stoute schoenen aan en kiept, heel voorzichtig, de kom om boven zijn hoofd. “Wow, het blijft zitten. Kom eens kijken!”, hij roept zijn zusje erbij om het te laten zien, draait daarna echter gauw de kom weer recht, want – je ziet het hem denken – je moet het lot ook weer niet te veel willen tarten.

Het is weer eens zo ver: voor zijn Duitse lessen moet hij de keuken in, om dit keer, na de lebkuchen en de andere koekjes (geen idee meer hoe die heetten) van vorig jaar, een Oostenrijkse sachertorte te bakken, waar hij goedmoedig wat over moppert, want ja, hij – in zoveel aspecten zo heel erg een kind van mij, maar hierin dus totáál anders – lust geen chocolade. Maar dat mocht de pret niet drukken, want er komen deze dag allemaal opa’s en oma’s en andere familieleden op bezoek, aan wie hij de taart vast wel slijten kan. En anders heeft hij altijd zijn moeder nog. Daar ben je voor, als moeder, niet?

Hij slaat zich er manmoedig doorheen. Hakt en roert en prikt en smelt (met nu en dan wat hulp van zijn zusje, die overigens wel gewoon houdt van chocolade, kijk, dat snapt mijn hoofd tenminste) en voila: vlak voordat al het bezoek binnenkomt staat er een prachtige chocoladetaart te stralen in de keuken. Met een al net zo stralende jongeman ernaast. Niet alleen om die taart, hoor, maar vooral omdat het natuurlijk helemaal zijn dag is vandaag.

Want hij is 14 geworden!

14. Ik moet het, geloof ik, nog even een paar keer zeggen, om er aan te wennen. Jeetje. Mijn oudste, de kalme, nadenkende, voorzichtige, gezellige, liefdevolle, zorgzame, verstrooide, grappige grote broer van zijn zusje en broertje. Die jongen, die soms zo heel plots en uitbundig schaterlachen kan, dat je wel móet mee lachen, en die gelukkig nog steeds zo heel fijn met ons allemaal knuffelen wil, die is gewoon 14, en bezig met zijn profielkeuze, aan het nadenken – nu al- over zijn vervolgstudie, voorzichtig aan het kijken naar stages, regelmatig volledig doof omdat hij zo in zijn boek zit, of ja, in zijn spelletje, en hij groeit al bijna boven me uit. Bijna.

Zoals ik al zei. Jeetje. 14. Hij is nu écht een van die grote, slungelige, zwaarstemmige puberjongens.

Maar dan wel de liefste van allemaal.

Rondje Borne

De sneeuw knerpt onder mijn voeten. Lekker geluidje is dat, alleen daarom zou je wat extra rondjes wandelen. Ik stop mijn handen wat dieper in mijn zakken, haal ze er alleen af en toe even uit om een foto te maken, want ook al valt het zo, zonder wind, nog best mee met de kou, na verloop van tijd gaan mijn vingers toch wat protesteren, zo zonder handschoenen, die ik, bijzonder hoe dat logisch lijkt terwijl ik voor de kinderen non stop met sjaals, handschoenen en mutsen sta te zwaaien, vergeten ben.

Vlak voor me schieten wat kinderen, over het muurtje rondom de kerk, roepend naar elkaar langs me heen. Het meisje zwaait naar me, begint dan te glibberen op de gladde keitjes, heeft bijna haar evenwicht weer te pakken, maar belandt dan toch nog pardoes schaterlachend op haar billen.

Achter een van de ramen waar ik langsloop zit iemand verwoed piano te oefenen. Elke keer hetzelfde stukje, met een hapering in de hoogte. Ik kan er het geïrriteerde klakken met de tong zo bij denken, ook al hoor ik het niet, en neem in gedachten mijn pet af voor de volharding als de riedel dan toch weer opnieuw van voren af aan wordt begonnen. Vanaf het einde van de straat komt een postbodemevrouw moeizaam aanfietsen, de wielen al net zo gezellig krakend in de sneeuw als mijn schoenen. Ze kijkt wat moeilijk tijdens het trappen, maar in het voorbijgaand werpt ze me ineens een vrolijk grijns toe, om vervolgens weer geconcentreerd fronsend verder te rijden.

Ik loop een stukje verder, door een straat die duidelijk iets vaker wordt gebruikt, want de sneeuw is zowaar wat verdwenen, langs de vele zorgvuldig geverfde luiken, en wuif eens naar een puber die, met duidelijk gezonde tegenzin – zou het voor straf zijn, of zou hij wat willen verdienen, of is het wellicht onderdeel van zijn takenpakket, opgelegd in het kader van een goede opvoeding door zijn ouders? – besneeuwde takken staat te snoeien in een tuin. Hij reageert met een soort staccato omhoog en omlaag schieten van zijn hoofd, en ik vat het maar op als een “ook hallo”.

Een steegje door, en glibberend over een paadje, en dan houd ik even stil bij het Maria kapelletje, dat al van veraf uitnodigend lijkt te glimlachen met haar warme kaarslicht tussen alle koele wintertinten. Ik kom hier zo af en toe, en kom er eigenlijk nooit iemand tegen, terwijl er toch regelmatig mensen zijn moeten, gezien de vele aangestoken kaarsjes. Maar eigenlijk is dit ook wel juist een plekje waar het past om even alleen te zijn.

Via een klein paadje tussen struiken door, waar ik nog bijna in de sloot beland van schrik door een plots wegspringend konijn, dat zag ik even niet aankomen (op de laatste foto is het dat donkere vlekje heel ver weg links, dat zie je voor geen meter, want daarvoor had ik de lens niet bij me, maar ik kon het tóch niet laten het te delen, want het is gewoon leuk, zo’n konijntje in de sneeuw), kom ik net op tijd weer terug op de parkeerplaats, om een vrolijk kwebbelend jongetje op te vangen, dat vol stoere verhalen over zijn drumles, bij me in de auto kruipt.

“Wat zit je onder de sneeuw”, merkt hij ineens op. Om me vervolgens meewarig hoofdschuddend aan te kijken als ik zeg dat dat kwam door het schrikken van een konijn.

Foto’s voor Mathijs

Hij lacht als ik me afzet en we samen bijna een koprol achterover maken. “Loslaten, dan komt het goed”. Ik trek een wenkbrauw op. Loslaten? Ja, dat doe ik even, want daar ben ik zó goed in. Uh huh. Aan de andere kant, als ik het ergens kan, dan wel hier. Dus als hij even later achter me gaat zitten en langzaam achterover rolt, rol ik zowaar gezellig en zonder tegensputteren mee, tot ik volledig gestrekt achterover hang, met blije spieren, die na hun verwaarlozing – ik heb al veel te lang niet meer op mijn yoga mat gestaan, maar ja, mijn bed is zo zalig warm en erbuiten is het zo heel erg koud – luidkeels genieten van het stretchen.

Ik maak foto’s voor en van Mathijs, voor zijn (shiatsu) praktijk. Bij binnenkomst maak ik in mijn hoofd een klein enthousiast huppeltje – of misschien wel in het echt. Zo nu en dan zie ik aan de grijns van de mensen om me heen (of het uitlachen of toelachen is laten we maar even in het midden) dat zo’n gevoel zich naar buiten heeft gewerkt en tot mijn lichte schrik heeft geleid tot een kleuter-blij sprongetje in werkelijkheid – als ik de lichtval zie in de ruimte waar ik straks los kan gaan met mijn camera. Overal rondom zijn grote ramen van grond tot plafond waardoor zacht zonlicht, slechts een weinig getemperd door de hoge bomen buiten, die, ondanks het gebrek aan bladeren in deze vrieskou, toch nog imposant genoeg zijn om invloed te hebben, veelvuldig naar binnen stroomt. Prachtig.

Ik leerde Mathijs een tijdje geleden kennen – was het een paar jaar geleden? Ik weet het eigenlijk niet eens precies meer – op een paar feestjes in een huis van een vriend waar ik nog niet eerder was geweest. Het was er vrij donker, op een tafel in het midden stonden flessen wijn in verschillende stadia van leegte en een vrolijk assortiment aan glaasjes en schaaltjes met nootjes of iets dergelijks, mensen zaten op kussens, op stoelen, op de grond, of op de bank die zo diep was, dat ik als ik met mijn rug tegen de leuning zat met mijn voeten in de lucht bengelde, waardoor ik me net een kind voelde dat zo stil mogelijk bleef zitten bij een feestje van de grote mensen, in de hoop niet opgemerkt te worden, zodat ze niet naar bed zou worden gestuurd.

Dat ik er bijna niemand kende gaf niets, want de andere mensen waren zo kleurrijk en zo geanimeerd in gesprek dat ik me uitstekend vermaakte met het voornamelijk rustigjes kijken naar wat er allemaal gebeurde. In de tussentijd aaide ik af en toe de dichtbij geslopen kat, die enigszins onvoorspelbaar overkwam, dus dat deed ik heel voorzichtig. Mathijs was er ook, en wat er precies voor zorgde dat ik geïntrigeerd raakte weet ik niet eens meer, maar ergens na zo’n feestje stuurde ik hem een berichtje, met iets in de trant van “He, ik vind je leuk, zullen we eens een kop thee drinken?” Of zoiets. Met direct er achteraan een geschrokken “Oh, volgens mij klinkt dit alsof ik je wil versieren, maar dat is niet zo hoor!”

Hij moest er wel om lachen, geloof ik, en dat kopje thee kwam er gauw van. En nog een. En nog een. En vele liters thee later zijn we nu dus hier en zit ik, mijn benen opgetrokken, met mijn rug tegen de bank, of sluip ik op mijn sokken langs de ramen, af en toe even pauze nemend om gewoon even te genieten van de weldadige sfeer, en neem ik foto’s van hoe hij, met een ernstig kalm gezicht, opgaat in het masseren.

Het is altijd een uitdaging om datgene wat iemand echt eigen maakt op beeld te krijgen, een uitdaging die het fotograferen voor mij juist ook het leukste maakt, en eentje die ik dit keer nog extra sterk voel, omdat ik hem intussen zo goed ken, en zo lief vind, en omdat ik weet hoe mooi de foto’s dus zouden moeten kunnen worden.

Maar dat kan haast niet misgaan. Want doen wat je heel leuk vindt, met mensen die je heel leuk vindt, dat maakt toch wel een erg prettig optelsommetje.