Winterse Klanken

Het is toch werkelijk even wennen, dat terug zijn in Nederland. Eerst een beetje aan de kou, want het past toch wel heel makkelijk en graag aan aan die zalige warmte, en dan blijkt ook dat het tijdsverschil, dat toch maar drie uurtjes was – dus waar hebben we het nou werkelijk over – nog niet zomaar uit het systeem te krijgen is.

Waardoor we meermalen met een groepje om half zes klaarwakker zijn, terwijl iets in ons systeem blijkbaar wacht op de zangerige stem die ons zacht dwingend oproept tot gebed.

Maar de Nederlandse stemmen klinken harder dan de verre Omaanse, en voor we het weten zijn we weer volop in de dagelijkse activiteiten gezogen.

We vinden onszelf terug in gymzalen vol hockeyspelers, waar wedstrijdtafels bemand moeten worden en we juichen voor stoere acties, of stiekeme gelukjes. De accu van mijn auto blijkt er nu toch echt de brui aan te geven (de opleving was kort en hoopgevend, maar bleek al snel te eindigen) en we belanden tóch nog in Hollandse kerstsferen bij de nieuwjaarsreceptie van het orkest van de kinderen, met oliebollen, kerstlampjes, rode mutsen en glühwein.

Ze mag verteller zijn bij het startersorkest, en staat vol enthousiasme de muziekstukken aan elkaar te kletsen. “Ze is helemaal niet nerveus, he? Ze weet de hele zaal stil te krijgen.” Ik knik naar een andere ouder die dit tegen me zegt, en beken dat ze dit toch écht niet van mij heeft, want nog steeds als ik voor een groep moet staan kijk ik om me heen naar waar de dichtstbijzijnde vluchtroute is, en overweeg ik die alsnog te nemen.

Er worden liederen gezongen en cadeautjes uitgedeeld, en nu en dan kom ik een oude bekende tegen, nog van mijn tijd, jaren geleden, bij ditzelfde orkest, waarop steevast knuffels volgen, en waarbij ik me toch elke keer weer realiseer hoe bijzonder dit toch is, en hoezeer muziek verbinden kan, niet alleen op het moment zelf, maar tot in vele jaren later.

School begint weer, met lunch trommels in de ochtend, proefwerken en voorlichtingsavonden voor profielkeuzes, overhoringen en spelletjes in de avonden en kopjes thee op elk moment tussendoor. Ik kook Nederlandse stoofschotels, die uren pruttelen en het hele huis laten ruiken naar winterse knusheid.

In de avonden kruipen we onder een dekentje samen op de bank, kijken we naar ‘de slimste mens’ en vallen we omstebeurten op rare tijdstippen in slaap, omdat half zes wakker worden best vroeg was – dat moeten we echt gauw gaan afleren.

Dag Oman, Hallo Nederland

We hadden het al in het begin van de vakantie afgesproken: We zouden het hele strand afwandelen, tot de pier in de verte. Dus op deze laatste dag in het mooie Oman moet dat er nog wel even van komen.

Het is warm, zelfs zo vlak na het ontbijt, maar de zee verwelkomt ons met een rustgevend ruizen, en reigers en meeuwen klapwieken om ons heen.

Langs het strand staan enkele hotels, wat gelukkige huizen, met hun open ramen uitkijkend op de zee, en een zwaar bewapende Britse ambassade. In de verte zien we de rotsige bergen van Oman, gehuld in een nevel, maar zelfs van zover immer indrukwekkend. We moeten her en der springen over stroompjes en eenmaal flink waden door een beginnend riviertje dat zomaar het strand doormidden klieft, maar we komen tot de pier (waar we overigens niet op mogen, want hoe idyllisch het er in de verte ook uit mocht zien, van dichtbij blijkt het een soort aanlegsteiger voor een of ander bedrijf, dat met grote waarschuwingsborden aangeeft dat nog één stap verder nemen ten strengste verboden is. Dus dat doen we dan maar niet).

Op de terugweg wandelen we over paadjes dichter langs de huizen en hotels, en door zorgvuldig aangelegde parkjes, waar, zo stel ik me voor, dagelijks enorm veel aandacht wordt geschonken aan het bewateren van al die mooie bloemen en planten, die kleur geven aan het toch al paradijselijk geheel.

Na even bijkomen (anderhalf uur stevig doorstappen in deze warmte en volle zon vraagt toch even om wat grote glazen koud water, en een ditto douche) staat de rest van de dag in het teken van inpakken, nog even naar het strand voor een laatste dosis zomergevoel, wat spelletjes als afscheidsritueel, en dan is het toch echt zover.

Een laatste blik, een laatste zwaai naar wat toch echt zo heel erg als thuis is gaan voelen deze weken, wat laatste knuffels en dan nóg een paar, want wat hebben we het fijn gehad, en dan door de kleurrijke, levendige stad, op naar het vliegtuig, waarin we weg vliegen van dit mooie Oman, waar we allemaal een beetje ons hart aan verloren.

Vanuit het vliegveld in het vliegtuig, via de douane, waar ik nog een hokje in moet met een streng kijkende dame, die me druk fouilleert, en dan nog eens, want er piept maar steeds iets (blijkt een bh beugel te zijn, maar het is toch gek, want als ze zo druk gaan doen ga je je toch ergens afvragen of je niet tóch per ongeluk massavernietigingswapens in je sok hebt verstopt), en dan door de nacht terug naar Nederland.

Het is vroeg in de ochtend als we aankomen, en het miezert, wat ergens wel erg vrolijk Nederlands voelt, en thuis worden we opgewacht door tulpen en opa en oma, en natuurlijk de poezen, die van gekkigheid niet weten hoe ze ons allemaal tegelijk kunnen begroeten.

De rest van de dag staat in het teken van bijkletsen, orkest repetities, een auto met een accu die zich blijkbaar ook verwaarloosd voelt, want die ineens koppig weigert weer te werken (gelukkig zijn er wat behulpzame heren die me aan willen duwen, want ik voel me even erg hulpeloos, helemaal als ik zie hoe ze in de lach schieten bij mijn beschrijving van dat de auto nog wel ‘tik tik tik’ doet bij het omdraaien van de sleutel, maar geen ‘broem broem’ zoals hij hoort te doen, wat ik ook wel weer snap, maar het is de beste beschrijving die ik kan bedenken), oms ons heen kijken naar alles dat zo heel Nederlands is – wat een stuk minder exotisch is dan al het Omaanse, maar toch ook wel heel erg mooi -, lekker lezen onder een dekentje op de bank, en daarna zalig weer in het eigen bed, wat toch uiteindelijk wel het fijnste plekje op de wereld is.

We zijn weer thuis.

Wahiba Sands – deel 2

Ik word wakker in het pikkedonker. Even weet ik niet goed waar ik ben, maar dan realiseer ik me weer dat we in de woestijn in een tent liggen. De bedden slapen heerlijk trouwens, ik waande me zo in een luxe hotel. Als even later de wekker gaat, hoor ik aan de zachte uitrek en gaap geluiden dat ook de rest van het gezin langzaam wakker wordt.

Ik doe het kaarsje naast het bed aan en spoor de kinderen zachtjes aan. Even lijken ze dieper onder de dekens weg te willen kruipen, maar als ik zeg “kom, straks missen we de zonsopgang in de woestijn!” zijn ze binnen een mum van tijd hun bed uit en in de kleren.

Het is verrassend koud, zo voordat de zon er is om de woestijn te verwarmen, en alles is bedekt met een klein laagje dauw. Daar heb je direct ook een deel van het antwoord op jouw vraag, Sacha, over waar de Bedoeïenen hun water vandaan halen om zich te wassen en te koken: het blijkt dat ze precies weten op welke plekken ze kunnen graven naar water, op hun routes door het droge zand (sommige van die waterkuilen blijven bestaan en krijgen de naam van degene die hem gegraven heeft, ook voor de generaties erna), maar ook dat ze soms in de avond platte stenen in de woestijn neerleggen, waar ze in de vroege ochtend de druppels vanaf kunnen halen om te stoppen in hun zelfgemaakte leren waterzakken.

Maar voor ons, verwende westerlingen, is de dauw, die als een dekentje over het zand ligt, alleen maar een extra laagje mooiigheid, terwijl we, dicht tegen elkaar aan om een beetje warm te blijven, bovenop een hoge zandduin, kijken naar hoe de lucht van bijna zwart, naar diep donker oranje, naar alle tinten roze en rood gaat bij het opkomen van de zon. Had ik gisteren al gezegd dat het hier adembenemend mooi is? Ik raak een beetje door mijn superlatieven heen in dit magische land, vrees ik.

Een beetje rillerig en klam klauteren we terug naar het kamp (het is een goede workout overigens, dat rondwandelen door het mulle zand. Echt, je hele lijf werkt mee om je voort te kunnen ploegen), waar we nog even stiekem terug onder de dekens kruipen om op te warmen, maar dan al gauw naar het ontbijt gelokt worden, waar warme thee en koffie en een tafel vol lekkernijen op ons wacht.

De zon klimt rap door naar boven nu en algauw gaan de vesten weer uit en de schoenen, die we uiteraard hadden uitgetrokken voor het ontbijt op de mooie rode kleden van de Bedoeïenen, niet meer aan. Het is zo’n lekker gevoel, dat warme zand tussen je tenen.

Er wordt gespeeld, niet alleen door de kinderen, en honderduit gekletst, want wij willen van alles weten over de cultuur van onze gastheren, en zij vinden het enorm leuk om er van alles over te vertellen. En, uiteraard, want dat hoort er dan natuurlijk wel helemaal bij, moeten er ritjes gemaakt op kamelen. De truc daarbij, mocht je het nog nooit gedaan hebben maar wel overwegen, is ontspannen, zo ontdekte ik. Dan is het een heerlijk schommeltochtje en begrijp je ineens helemaal waarom zo’n kameel ‘het schip van de woestijn’ wordt genoemd.

(Wist je trouwens, toch nog een klein weetje, dat de Bedoeïenen meer dan 160 woorden hebben voor kamelen? )

Vroeg in de middag besluiten we terug te rijden naar de wat drukker bewoonde wereld. Weer door de duinen, al schuivend en glijdend, langs kamelen en nu en dan een verdwaalde ezel, tot er langzaam steeds meer struikjes en bomen opduiken en we uiteindelijk terecht komen in een soort dorp aan de rand van de woestijn.

Het is een aparte omgeving, deze plaatsjes zo langs de grens van al die droogte. Alles is stoffig en doet een tikje vervallen aan, al zie je er ook huizen tussen staan met duidelijk liefdevol geverfde muren en deuren, als kleine pareltjes tussen het grint.

We stoppen even om de banden weer wat op te pompen en wat boodschappen te kopen voor de picknick op de terugweg. Het doet een beetje aan als een spookstadje, zo stil en verlaten lijkt alles. Maar heel af en toe zien we mensen, een vrouw die met een tasje met boodschappen haastig door de stoffige vlakte loopt, wat mannen die ook wat inkopen doen bij de rommelig aandoende winkeltjes op een rij langs de hoofdweg, een eenzame fietser en een groepje in het wit geklede jongens, dat duidelijk loopt te dollen en de grootste pret heeft samen, her en der mensen aansprekend en grappen vertellend (maak ik op uit het harde lachen dat erop volgt), en dat hier wellicht onder de term ‘hanggroepjongeren’ zou worden geplaatst..

Bij die laatste gedachte moet ik even grinniken, waarop ze me wat verbaasd aankijken, om dan heel vrolijk terug te grijnzen. Echt, volgens mij heb ik nog niemand ontmoet hier in Oman die niet vriendelijk was.

Dan rijden we terug, door droge vlakten, langs al die stenen bergen, met hier en daar in de verte een groene oase, met wat huisjes, een dorp, of een enkele geitenschuur. Terug naar de stad, waar we het zand van ons afwassen, een potje klaverjassen, dan vroeg ons bed in duiken na het vroege opstaan, en de herinneringen aan weer een prachtig avontuur veilig en voor altijd opbergen in ons hart.

Wahiba Sands – deel 1

We rijden wederom met twee bakbeesten van auto’s door het prachtige landschap van Oman. Dit keer zijn we niet op weg naar groene oases en kabbelende watervalletjes, maar naar het zanderige van de woestijn – Wahiba Sands.

Ik hang de helft van de tijd uit het raam met mijn camera – dit levert nogal eens wat gemopper op, want dat zorgt zo voor wapperende haren en piepende oren achterin – om het landschap vast te leggen. Ik had nooit gedacht dat ik zo enthousiast zou reageren op allerlei schakeringen in steen en rots, maar dat is precies wat er gebeurt; na elke hoek zie ik weer een nieuw mooi uitzicht, dat echt móet worden vastgelegd. Ik kan er niets aan doen!

Een van de mooie dingen van Oman is dat er enorm veel ruimte is, en dat er dus – ik gok tenminste dat het daarmee te maken heeft dat we bij ons in Nederland zo precies zijn met paadjes en kaveltjes en parkeerplaatsjes enzo, ruimtegebrek – weinig gedoe is over wie waar wat doet in het verkeer. Wat betekent dat er zomaar langs de weg ineens iemand doodleuk op de vluchtstrook op een taxi kan gaan staan wachten, maar ook dat je, als je dan toch een four wheel drive auto onder je billen hebt, op een lukrake plek de weg af kan rijden, de bush bush in, om een schaduwrijk picknick plekje te vinden.

Dat we dan de pannen zijn vergeten en ontdekken dat het windscherm óók van staal is, en dus best dienst kan doen als ei-bak-plaat, maakt het eigenlijk alleen nog maar picknickeriger.

We hebben afgesproken bij een restaurantje aan de rand van de woestijn, van waaruit we een geleide zullen krijgen naar de plek waar we vanavond zullen overnachten. Het gaat hier allemaal wat op zijn janboerenfluitjes – er is duidelijk wat verwarring over wie we ook weer waren en wanneer we ook weer waarheen zouden worden gebracht – maar we wachten geduldig, de kinderen helemaal blij met een groot glas vers mango sap. Om ons heen wordt druk in het Arabisch gepraat door allemaal in het wit geklede mannen, die uit kleine kopjes drinken, waarvan we eerst denken dat het koffie is, maar waarvan even later blijkt na de eerste slok dat het mierzoete thee is.

Uiteindelijk worden we opgehaald, handen worden geschud, tussen de mannen dan, de vrouwen krijgen geen hand, en we rijden weg, in een colonne, over hobbelige vlaktes, langs los schrijdende kamelen (die wandelen niet, die schrijden) en huppelende geiten, en uiteindelijk over zandduinen hoog als bergen, met nu en dan een vervaarlijk schuiven onder onze banden, waardoor het voelt als een achtbaan, wat we stiekem allemaal maar wat lollig vinden, de woestijn in.

De zon begint al een beetje te zakken tegen de tijd dat we aankomen bij het kamp waar we gaan slapen. We worden hartelijk verwelkomd en een grote tent ingeleid, waar we, na het uittrekken van onze schoenen, op zachte kussens kunnen gaan zitten en thee en vruchtensap, Arabische lekkernijen en doekjes om ons op te frissen op ons wachten.

De kinderen zijn dan overigens allang verdwenen en de eerste de beste duin opgeklommen, om zichzelf en elkaar in te graven en naar beneden te rollen of glijden. Wie heeft er speelgoed nodig als je een oneindig grote zandbak tot je beschikking hebt?

De lucht kleurt steeds meer roze en rood, echt adembenemend mooi. Waar je ook kijkt, overal zie je zand en duinen, maar net als bij de rotsen en stenen in de rest van het land, zorgen ook hier de details dat je maar kan blijven staren. Het is net alsof er golfjes over de duinen lopen, of alsof iemand onderaan heeft geduwd en zo de bovenlaag allemaal rimpeltjes heeft gegeven. En dat alles nu in varianten van goud, geel, roze, rood en oranje.

Zo heel af en toe zie je in de verte een klein dapper struikje, dat tegen alle verwachtingen in stoer blijft groeien. Je zou er toch, zo op de eerste dag van het nieuwe jaar, gewoonweg geïnspireerd door raken.

We worden weer het kamp ingelokt door de geur van een vuurtje, en om de hoek van een groot scherm vinden we een gezellig ingerichte openluchtkamer, met veel kussens en kleden, lage tafels om aan te eten, dekens, voor als het wat frisser wordt en een grote ronde vuurplaats, waar even later pannen in zullen worden gezet voor het eten, en waar later op de avond Bedouins platbrood op zal worden gebakken (gecombineerd met veel jolig gegrap van de bakkers).

We spelen spelletjes, al liggend en zittend op de kleden, alvorens er een diner wordt geserveerd, met allerlei Omaanse gerechtjes. Ik neem me maar weer eens voor, zoals wel vaker, om meer te koken met recepten uit de Arabische keuken, want dat vind ik zó lekker.

Het is niet laat als we, het is intussen echt heel donker geworden, onze tent opzoeken. We slapen in een familietent, en je kan het eigenlijk niet echt kamperen noemen, want er staan gewoonweg riante bedden in, waar we prinsheerlijk op slapen kunnen. Maar voor we dat doen bewonderen we nog even de enorm heldere sterrenhemel, die, nu we hier niet worden gestoord door de lichten van de bewoonde wereld, in al haar glorie zichtbaar is.

Morgenochtend staan we heel vroeg op, om half zes, om de zonsopgang hier in de woestijn mee te maken. Dus de wekker is gezet, en we kruipen onder de, lichtjes naar wierook ruikende, wol. Vlak voor ik in slaap val lig ik nog even te genieten van de stilte om ons heen. Typisch, hoe gewend we zijn aan alle ruis in de bewoonde wereld, zelfs ’s nachts. Hoezeer dat altijd op de achtergrond aanwezig is, merk je pas als het er niet is.

Ik draai me genietend om. Ik weet zeker dat ik hier heerlijk ga slapen.

Dag 2018

Deze laatste dag van het jaar doen we het rustig aan. Dat is maar goed ook, want dan kunnen we ons eens goed bezinnen op alle goede voornemens. Of doen we daar niet aan? We zijn er nog niet helemaal uit.

Ik moet zeggen dat ik in ieder geval redelijk zen wordt van het gewekt worden door de zangerige stem die zijn oproep tot gebed door de straten galmt. Je zou denken dat je er kriegel van zou kunnen worden, elke ochtend om half zes op die manier wakker worden, maar het heeft toch gewoon iets. Al zal het wellicht helpen dat ik niet uit bed spring en me naar een moskee hoef te haasten, maar glimlachend kan luisteren, het even kan laten bezinken, om me dan nog eens rustigjes om te kunnen draaien in bed.

We hebben eigenlijk maar één vaststaand plan voor vandaag, en dat is dat er oliebollen moeten worden gebakken. Duh. Je bent Nederlander of je bent het niet. De mannen nemen deze taak onder hun hoede, en worden kritisch bij elke stap gevolgd door een horde kinderen, die niet kan wachten om zo’n oliebol te verschalken.

De geur is dus in ieder geval helemaal goed, als het gaat om het oud en nieuw gevoel.

De ochtend en begin van de middag zetten zich voort in een aaneenschakeling van huiselijke tafereeltjes. We doen boodschappen (waarbij ik stug mijn camera meeneem, maar steeds blijf vergeten hem te gebruiken), er wordt druk gespeeld door de kinderen (en soms een handjevol volwassenen), er wordt wat televisie gekeken en discussie gevoerd over het levensbesef van een mier.

En dan, als de middag zachter wordt en de eerste oliebollen zijn opgesmuld, wandelen we met z’n allen naar het strand in de buurt. Door de wijk, met al die statige huizen, die ik allemaal wel op de foto wil zetten, waar langs witte muren de bougainville uitbundig staat te roepen hoe mooi ze is.

Zo nu en dan ligt tussen al die woningen ineens een braak terrein. Dat lijkt heel normaal te zijn hier in Oman, ook bij wijken die er al jaren staan. We stellen ons voor hoe onderhandelingen zijn stukgelopen, iemand met een boos handgebaar stampend een vergaderzaal is uitgestoven, en zijn heil ergens anders heeft gezocht. Het stukje grond, ooit vol liefde uitgezocht en bedoeld voor een huis vol toekomstplannen, kaal achtergebleven, zonder nut.

Op het strand zien we grote groepen jonge mannen voetballen in de verte, en dichterbij wandelen rustig pratend volledig bedekte dames voorbij. Wat verderop zit een groepje mannen te kletsen, hun lijf in traditionele gewaden gehuld, maar met hun blote tenen woelend in het zand.

Daartussen ravotten de kinderen, wordt er gevliegerd en een moddergevecht gehouden, en gezwommen en gevoetbald tot de zon langzaam naar de horizon zakt, alles in een zacht gouden licht hullend.

De avond valt in Muscat. Morgen gaan we de woestijn in, dus dan zal het verslag even wat langer op zich laten wachten – weinig stroom op zo’n kameel.

En terwijl we hier, drie uur eerder dan in Nederland, ons voorbereiden op de jaarwisseling (we zijn heel benieuwd of hier vuurwerk is, dat weten we nog niet eens), wens ik jullie een heel fijn, gelukkig, avontuurlijk, reislustig (als je dat leuk vindt) en vooral liefdevol 2019!

Kunststukjes

Zo leuk hoe er spontaan overal traditioneel geklede figuranten mijn foto’s in wandelen!

We staan in ‘het oude Muscat’. Ik ben elke keer weer verwonderd hoe we overal goed aankomen, want al begrijp ik heus wel dat het een kwestie van wennen is, het hele wegensysteem hier zorgt er elke keer weer voor dat ik me enigszins gedesoriënteerd bedenk dat ik met geen mogelijkheid meer kan bepalen waar ik ben. Onderweg zijn we weer ontelbaar veel prachtige gebouwen en uitzichten gepasseerd, waarbij ik me heel hard heb ingehouden om niet elke keer te smeken om een foto-stop, omdat ik me realiseer dat we dan nooit ergens zouden arriveren. Ik denk dat ik hier maandenlang elke dag non stop zou kunnen fotograferen en dan nóg niet uitgekeken zou zijn.

We wandelen langs het water, waar, even verderop in de haven, enorme schepen van de Sultan in de zon liggen te pronken. Daarachter wachten een paar cruiseschepen, flatgebouwen op water lijken het wel, en dichterbij voeren in het wit geklede mannen de meeuwen, die schreeuwend langs de kustlijn vliegen. In het lage water staat een visser, die rustig een net ophaalt. We kunnen net niet zien wat er in zit, maar het lijken donkere schelpen. Mosselen wellicht? Vlak naast hem glibbert de schaduw van een grote aal en even verderop spot Lucas een rondscharrelende krab.

Dan gaan we de souk in, waar ik me al een tijdje op verheug. In een eindeloos netwerk van steegjes en straatjes zijn allemaal kleine winkeltjes gevestigd, waar, in de dikke geur van wierook en specerijen, handelaars hun best doen de vele toeristen naar binnen te lokken. Dat toeristische maakt het overigens wel een stuk minder mysterieus en authentiek dan ik me had voorgesteld, maar ach, dat mag de pret niet drukken.

Het is grappig om eens doorheen te wandelen, en om te onderhandelen met de verkopers voor wat souvenirs voor de kinderen, lichtelijk onwennig, want het voelt tóch een beetje stom, maar net als ik me wat bezwaard voel over het afdingen, zie ik hoe dezelfde verkoper die even tevoren beweerde dat hij nu amper wat had verdiend aan zijn verkoop (met een dramatische uithaal die ervoor zorgt dat ik bijna begin te vrezen voor het avondeten voor zijn bloedjes van kinderen), met een grote glimlach zich omdraait, dus ik gok dat dat nog wel meevalt. En voel me acuut een enorme toerist.

We maken een tussenstop bij het Bait al Zubair museum, een privé project van de familie Zubair, waarbij hun oude familiehuis is omgetoverd tot een museum met een enorme collectie traditionele voorwerpen uit de geschiedenis van Oman. We bewonderen de postzegels, munten en foto’s, het nagebouwde traditionele hutje en de maquette van een heus dorp uit de vroegere tijd van Oman, en met Olivier sta ik een tijdlang te kijken naar de met zilver gedecoreerde wapens die meer voor de sier dan voor het schieten lijken, maar volgens de teksten erbij waren ze toch wel degelijk in gebruik.

“We gaan even lunchen bij Shangri La, dat is wel leuk”. Dat klinkt alsof we naar een restaurantje in de buurt gaan, maar we rijden de bergen in, omhoog via duizelingwekkend steile wegen, tussen bergwanden door, zo hoog en geel dat ik me af en toe een miertje voel dat is verdwaald in de duinen. En dan, voor ons gevoel in de middle of nowhere, duikt een resort op, met decadent gemarmerde paden met uitbundig bloeiende bloemen erlangs, parasolletjes op het strand erachter, klaterende aangelegde watervalletjes en een uitzicht op de zee, met daarachter die immer blauwe horizon, waar, we snoepen van een uitgebreid en heerlijk buffet. Wat een verwennerij.

Op de terugweg naar beneden, bij een uitzichtpunt zo duizelingwekkend hoog, dat we héél voorzichtig over het randje gluren en ons voornemen niet naar beneden te kukelen, stoppen we even voor een foto. En vooruit, ook even een gezamenlijk kiekje. Het zou toch wat zijn als ik helemaal zelf niet op de foto kom in dit mooie Oman.

“Kijk? Is dit mooi?” Ze draait een rondje. We zijn mooi aangekleed, de volwassenen én de oudste twee kinderen, voor een avondje opera. In The Royal Opera House van Muscat wordt vanavond door twee solisten en hun orkest een voorstelling neergezet waarbij vanuit meerdere bekende opera’s liederen worden gezonden. En wij gaan daar heerlijk van genieten.

Wauw. Ik kan niet anders zeggen. Wauw. The Royal Opera House is adembenemend mooi. Elk detail is afgewerkt, en alles ademt luxe en schoonheid. Ik doe een poging iets van al dat moois vast te leggen, maar moet eerlijk bekennen dat elke foto maar een zwakke weergave is van hoe mooi het in werkelijkheid is. Dit moet je echt in z’n geheel zien, om de sfeer te voelen, en je onder te dompelen in het gevoel.

De opera zelf is ook prachtig, en ik geniet des te meer als ik af en toe stiekem opzij kijk naar de stralende snoetjes van de kinderen, hoe ze met open mond luisteren naar de muziek, of lachen om de grollen van de zeer flamboyante zanger. Wat een belevenis weer. Voor hen, en voor ons.

Hij is tien jaar!

Nou waren we gisteren toch heus aan het bakken geslagen. Appeltaart moest het worden. Met een kruimellaag. Waarvoor we naar de supermarkt gingen…

-Daar moet ik toch tussendoor even wat over vertellen. Want dat is best even wennen, die Omaanse supermarkten. Niet alleen door de enorme groottes en het aantal mensen dat erin krioelt, maar ook door de vriendelijke hulpvaardigheid van de mensen die er werken. Wat natuurlijk altijd fijn is, maar ik blijf het toch lastig vinden wanneer boodschappen vanuit het karretje voor je op de band worden gelegd, en vervolgens keurig voor je ingepakt. Ik heb dan steeds de neiging om te zeggen “joh, doe niet zo gek. Heel lief van je hoor, maar dat kan ik toch écht zelf wel.” Want ik voel me dan bezwaard. Wat niet nodig is, schijnt, want het hoort hier gewoon bij het werk. Maar toch. Het blijft raar –

Hoe dan ook, we haalden de ingrediënten voor de taart, kneedden het deeg, wel met glutenvrij meel, en sneden naar hartenlust appels, om daarna het geheel in de oven te zetten. Waar hij vervolgens volledig zwart weer uitkwam. Een beetje een desillusie. Was het de oven, waarvan niet helemaal duidelijk was hoe hij werkte? Of toch het deeg? We wisten het niet.

In ieder geval is het resultaat dat het nog vrij vroeg is vanochtend wanneer we bij de bakker staan. En Olivier mag een taart uitzoeken, helemaal alleen. Want hij is tien geworden vandaag!!

Nou is tien jaar worden al bijzonder, maar tien jaar worden in Oman maakt het wel heel speciaal. Zeker als je zelf mag kiezen hoe je je dag invult, en dat er uiteindelijk voor zorgt dat je middenin de winter, voor het eerst op je verjaardag, in een heerlijk zonnetje kan ravotten in de zee.

Er worden meerdere zandkastelen gebouwd, mét grachten, en het zwemmen is zo fijn. Als we even rustig in het water dobberen horen we ineens een hele zwerm vogels met veel kabaal opvliegen, allemaal een andere kant op, en als we kijken waar al die drukte nou voor nodig is zien we een elegante arend over het water zweven. Even hangt hij bijna stil, om vervolgens een plotselinge snoekduik in het water te maken en er iets uit op te vissen, en daarna in alle rust weg te vliegen.

We picknicken met stokbrood in het zand en spelen een potje tennis. En als dan ineens een zacht briesje opsteekt, dat blijkbaar verder op zee wat heftiger is, want het neemt ineens steeds wildere en hogere golven met zich mee, is de pret helemaal compleet.

In de avond, als we het zand en zout weer van ons lijf gespoeld hebben en we rozig en warm zijn van de dag, gaan we, om helemaal in het feestgevoel te blijven, uit eten in Muscat.

Tijdens de rit naar het restaurant kijken we onze ogen weer uit. Niet alleen om het verkeer, – want goeie genade, wat een chaotische bedoening is dat op de weg. Overal schieten (voornamelijk grote en dure) auto’s vandaan, die zich, zonder knipperlicht of voorsorteren, laconiek in de meute storten. Ik heb maar besloten net te doen alsof ik het niet zie en me puur te richten op andere uitzichten, want anders zou het een stressvolle belevenis zijn – , maar vooral ook door de prachtige verlichting van alle imposante en statige gebouwen. Het is alsof ze naar elkaar roepen “zie je wel, dat ík de mooiste ben?!”

Aangekomen bij het restaurant kleurt de lucht oranjerood en terwijl ik nog even sta te kijken naar hoe groepen traditioneel geklede mensen samen eten op de terrassen, voel ik een klein handje in de mijne. Olivier kruipt tegen me aan, en als ik mijn armen om hem heen sla om hem heel stevig te knuffelen, hoor ik hem zacht zeggen “Wat een fijne dag was dit, mama.”

Mijn kleine man. Mijn jongste. De vrolijke, doldwaze, inventieve, verrassende. De stuiterbal met het zo heel kleine hartje. De lieve, knappe, zorgzame, bijdehante, grappige, verlegen deugniet.

Mijn Ollie. Tien jaar.

Wadi Al Arbaeen

We rijden door stoffige zandformaties en eindeloze zandvlaktes. Dat had ik anders wellicht saai vinden klinken, maar nu ik zie hoeveel verschillende kleuren en schakeringen in al die rotsen worden weergegeven, hoe elke meter weer een tikje anders is, en hoe het lijkt alsof ijverige schilders miljoenen jaren lang bezig zijn geweest om een prachtig patroon uit te tekenen, kijk ik ademloos om me heen.

Het rotslandschap lijkt zich eindeloos uit te strekken, met aan de horizon steeds hogere bergen. Nu en dan duiken er ineens geitjes op, die onverstoord de weg over sjokken, of even nadenkend blijven staan voor de wielen van onze auto. Het lijkt niet uit te maken wat we doen, de gedachte waardoor ze plots stil bleven staan moet blijkbaar worden afgemaakt, waarna ze weer rustig verder kuieren naar de weinige bruingroene bosjes, waar ze achter op hun poten tegen aan gaan staan om de zeldzame blaadjes die eraan zitten man te maken.

We rijden in een four wheel drive auto, iets dat geen overbodige luxe blijkt als de weg steeds onherbergzamer wordt, de wegen plots lijken te eindigen in steile afdalingen, of in bochten omhoog die ons duizelingwekkend scheef laten hangen (en uiteraard zijn juist dat de momenten waarop die geiten zo nodig filosofisch moeten gaan doen, vlak voor onze neus).

Maar dan opeens, vanuit het niets, zien we steeds meer groen voor ons verschijnen. Een beeldschone oase ligt middenin het onherbergzame rotslandschap, waar palmbomen staan rondom een meertje, gevormd door de rivier die hier doorheen loopt, en die op de meeste plekken is drooggevallen, maar hier toch genoeg water heeft verzameld voor deze prachtige plek, waar watervalletjes vrolijk klateren.

We springen over wat keien, niet altijd even succesvol, met als resultaat natte voeten, maar wat maakt het uit, dat droogt hier zo weer op. En we kijken, oh, wat kijken we onze ogen uit. Het is hier zó mooi.

We rijden nog een stukje verder, waarbij we nu en dan dwars door de toch best diepe rivier moeten en ik, ook al is de auto ervoor bedoeld, onbewust elke keer mijn voeten optil, omdat ik verwacht dat ze nat zullen worden.

Her en der tussen al die rotsen en zandvlakten vind je dan ineens een dorpje, gewoon een paar huizen schots en scheef tegen elkaar aangebouwd, waar we bij eentje, nieuwsgierig geworden, even doorheen wandelen. Wij blijken daar overigens niet de enige nieuwsgierigen, want al bij de eerste stappen zien we gezichtjes om deuren en ramen gluren, en worden we gevolgd door een groepje kinderen, met grote bruine vrolijke ogen.

Er wordt veel en vriendelijk gelachen en gegroet, maar ik krijg toch sterk de indruk dat ze ons maar vreemde vogels vinden, met onze belangstelling voor de smalle gangetjes in hun lief klein dorp.

Op het laatste stuk van onze route – we komen dit keer vooral ezels tegen trouwens – besluiten we een plek te zoeken om te lunchen. We vinden een heuse boom om ons picknick kleed onder uit te spreiden, en genieten van broodjes en gebakken eieren, terwijl de kinderen spelen met stenen in de zon.

Nou rest ons nog maar één ding: We hebben gehoord dat er ergens vlak in de buurt van waar we nu zijn een zogenaamde ‘sink hole’ is, waar, onderin een soort rond ravijn, heel diep, een watertje is waar in gezwommen kan worden. Dat is natuurlijk wel enorm aanlokkelijk, na al deze stoffigheid. Het duurde dan ook niet lang voordat, na aankomst, de kinderen in het water lagen (en vol bewondering en verwondering keken naar de mensen die van helemaal bovenop naar beneden sprongen. Doodeng!).

Morgen gaat er gesnorkeld worden, en worden er hopelijk dolfijnen gespot. Of de camera dan meegaat weet ik nog niet, zo in het water, maar het wordt ongetwijfeld een hele belevenis. Had ik al gezegd hoezeer ik me een geluksvogel voel?

Mooi Oman – dag 3

“Maar… hoe hebben ze het dan om die pilaren heen gekregen? Eroverheen getild?”

We staan in het midden van de gebedszaal van de grote moskee van Muscat. Om ons heen schitteren prachtige kroonluchters, en muren vol met gebedsteksten en de prachtigste mozaïeken zorgen ervoor dat we automatisch onze stem dempen, onder de indruk van alle luister.

Het vraagstuk dat ons bezighoudt is hoe ze het tapijt, een van de grootste ter wereld, en geweven uit één stuk, er nou precies in kregen. Lucas oppert dat ze er gaten in hadden vrijgelaten, om later om de pilaren te kunnen passen. Maar ja, hoe krijg je ze er dan omheen? Tillen? En dan ook maar even voor het gemak het dak wat omhoog takelen?

De suggestie dat het tapijt er eerst lag en daarna de rest gebouwd is lijkt ons ook wat onwaarschijnlijk. We grinniken even en zien het al helemaal voor ons; hoe een manneke paniekerig het tapijt probeert te beschermen, al foeterend op goed bedoelende bouwvakkers.

Het moet dus haast wel ter plekke geweven zijn, besluiten we, maar we vragen het toch na aan een voorbijlopende meneer die er traditioneel gekleed genoeg uit ziet om er wellicht verstand van te hebben. Dat heeft hij, en hij vertelt dat het tapijt inderdaad ín de moskee zelf door 700 Iraanse vrouwen is geweven. Dat is nog eens een huzarenstukje. We kijken met nog eens wat extra ontzag om ons heen.

Even later slenteren we door de rest van de gebouwen, door lange gemarmerde gangen, over smetteloos witte pleinen. Om ons heen klinkt het geroezemoes van andere toeristen, wat zenuwachtig hun sjaal om hun hoofd wat vaster schikkend, maar ik stel me voor hoe het hier is op andere momenten, wanneer de klanken van het gebed klinken, en de sfeer hier op slag heel anders wordt.

Ik voel me altijd wat verstillen op plekken als deze. De duidelijke liefde voor zo’n gebouw, en haar functie, de zorgvuldig onderhouden bloemperken, waarin kleurige bloemen nog feller lijken door alle witte statige muren om ze heen, het laat iets in me zachter en kalmer worden, en als ik alleen zou zijn zou ik rustigjes een hele tijd op een bankje kunnen zitten, alles in me opnemend, diep ademhalen en bewonderen.

Maar dat ligt vandaag niet helemaal in de planning. Er zijn van die vrolijke kindwezentjes bij ons, weet je, die nogal graag stuiteren en dol zijn. En laten ze daar nou in Oman een heel goede plek voor hebben…

Van stille plechtigheid naar een lawaaiig klimparadijs vol uitbundige kinderstemmen. Je zou haast denken dat het contrast niet groter kan. Al zit er zowaar een overeenkomst in, in het kader van vol overgave en enthousiasme en dergelijke, maar die filosofische bespiegelingen laat ik voor nu maar gewoon even aan me voorbijgaan.

Mooi Oman – dag 2

“Hij is scheef!” Even kijkt ze heel bedenkelijk. Ik zie zelfs even een pruillipje verschijnen. Maar dan besluit ze zichtbaar om het concept dan ook maar direct goed te omarmen; “Scheef is leuk!”

We maken een schots en scheve toren, zo hoog dat ze op haar teentjes moet staan om de laatste steentjes erop te leggen. We kijken er trots naar en zijn het met elkaar eens dat we er best zouden willen wonen. Of, nou ja, logeren dan. Want, zo merkt een van de jongens op, dat schots en scheef is best vrolijk en gezellig, maar niet heel praktisch. “Want hoe moet je bed dan staan?”

Ik stel een evenzo schots en scheef bed voor, maar dat is toch blijkbaar werkelijk te gortig. Dus we houden het op logeren.

Maar dat gezegd hebbende: het is eerste kerstdag! Dus daar hoort een zalig en gezellig ontbijtje bij, en cadeautjes onder de boom, voor ieder één. En net als alle andere jaren worden er mooie jurken aan- en stropdassen omgedaan, wordt meermaals de tafel gedekt voor heerlijke maaltijden, en rollen er regelmatig dobbelstenen en kaarten over tafel voor verschillende spelletjes.

Er worden kerstliedjes gespeeld op de piano, nieuw speelgoed wordt uitgeprobeerd, en, hoe kan het kersteriger (is dat een woord? Het zou er een moeten zijn), er worden gingerbread huisjes versierd. Uiteraard verdwijnt daarbij de helft van de decoraties in een paar gretige kleine mondjes, maar dat is natuurlijk ook waar ze zich het fijnste voelen. Elk zichzelf respecterend snoepje houdt er vast niet van om puur voor de sier op een dak geplakt te blijven zitten.

Al met al een best traditionele kerst dus…

Behalve dan misschien het afkoelen op het strand.

Wat nog een hele belevenis is trouwens, omdat we er, ondanks dat we keurig bedekt zijn, toch blijkbaar uitheems genoeg uitzien om uitgebreid gefotografeerd en gefilmd te worden door meerdere mensen. Als ik bij de derde persoon enigszins verbouwereerd mijn wenkbrauwen optrek en me iets terugtrek, kijkt ze smekend. “Just one?” Ze gebaart met haar camera. Ik haal mijn schouders maar op en laat het gebeuren. En vraag me ondertussen af of ik me nu meer filmster of rare aap voel.

Eenmaal terug in ons nu-even-Omaanse-thuis, na een heerlijk diner en daarna een ouderwets avondje film op de bank, bedenk ik me terugkijkend dat kerst in Oman, ondanks alle traditionele activiteiten, toch écht wel anders voelt, met al die zonneschijn, de korte broeken en de zee.

Anders. Maar wél heel leuk!