13

Schoenmaat 40 heeft hij nu. Grotere voeten dan ik. Zijn stem begint af en toe zomaar gekke geluidjes te maken, klinkt dan ineens verrassend volwassen en vervolgens weer zacht en hoog. Hij is nog nét kleiner dan ik (maar ik speel meestal vals met hoge hakken van minstens 9 centimeter. Daarmee stel ik het onvermijdelijke nog ietsjes langer uit). Hij fietst zich een slag in de rondte naar school en allerhande activiteiten, en kan alle zware tassen met steeds minder moeite en steeds meer nonchalance over zijn schouder zwaaien.

Hij steekt graag kaarsjes voor me aan, vergeet standaard zijn broodtrommel uit zijn tas te halen – waardoor we elke ochtend, werkelijk el-ke ochtend dezelfde discussie voeren en ik dreig geen salades meer voor hem te zullen maken (hij is nogal gek op salades) of hem ’s nachts uit bed te halen om zijn broodtrommel af te wassen, maar dat maakt natuurlijk geen donder uit. Misschien moet ik het ook daadwerkelijk uitvoeren, die dreigementen, maar wat kan ik zeggen, ik ben een watje van een moeder. Ik geef het toe – en speelt geduldig ontelbare potjes schaak met zijn kleine broertje. Die hij wint, want hij kan het niet laten, ook al wordt datzelfde broertje nogal eens boos omdat hij ‘altijd op z’n best’ speelt.

Hij kan onbedaarlijk de slappe lach hebben, soms puberaal boos worden en naar boven stampen – maar dan direct weer vergeten zijn waarom het ook alweer was – en soms bij het naar bed gaan ineens in paniek bedenken dat hij was vergeten om zijn proefwerk te leren. Want hij is liever lui dan moe, maar houdt er toch ook erg van zijn zaakjes in orde te hebben. Een wat lastige combinatie nu en dan.

Hij staat het nog steeds toe dat ik hem knuffel – godzijdank, want ik vrees dat ik het niet zou kunnen laten -, begint een heerlijk sarcastisch gevoel voor humor met een flinke dosis zelfspot te ontwikkelen (we kunnen erg goed gniffelen samen) – al is het wat minder dat ik ook steeds vaker het mikpunt ben, waardoor ik, als hij me met plagerige twinkelogen duidelijk een beetje uitlacht, me afvraag waar die goede tijd is gebleven waarin kinderen dat niet gedurfd zouden hebben (niet echt hoor)- en tja, wat kan ik zeggen, hij is gewoon een leuk mens.

Nu weet ik dat ik bevooroordeeld ben. Maar echt. In dit geval heb ik gewoon gelijk.

Hij is 13 vandaag. 13! Dan mag je als moeder toch wel even ongegeneerd met je liefde te koop lopen, niet? Vind ik ook.

Schoolkeuze

Ze staan een beetje onwennig glimlachend tegenover elkaar. Welwillend genoeg, maar totaal zonder enige herkenning. De laatste keer dat ze samen speelden waren ze vijf. Daarna gingen ze allebei naar een andere basisschool, en ze zouden elkaar zonder enige interactie, behalve wellicht een vriendelijk knikje bij het passeren, zoals je dat ook naar andere vreemde mensen doet, voorbij zijn gelopen als hun ouders er niet waren geweest. Want die veranderen niet zoveel in 6 jaar. Hopen ze toch. In ieder geval niet zoveel dat je elkaar niet meer herkennen zou.

Dus daar staan ze dan. Schuifelen wat met hun voeten. Grijnzen nog eens. En misschien rollen ze wel stiekem met hun ogen naar elkaar, wanneer een van hun moeders nog eens vraagt: “Weet je dat niet meer? Hoe leuk jullie samen speelden vroeger?”. Gelukkig duurt zo’n ongetwijfeld wat ongemakkelijk moment nooit lang. Want er is nog zoveel te bekijken. Zoveel te beoordelen, voordat die ene belangrijke keuze gemaakt kan worden: Naar welke middelbare school ga ik?

Ze weet het nog niet, waar ze heen wil. Voor haar niveau zijn er vier mogelijkheden, dus we klepperen vrolijk alle open dagen af.

Ze maakt puzzels, praat met leerlingen, stelt vragen aan docenten, trekt aan onze jassen als we weer te lang blijven kletsen (het is één grote ontmoetingsplek van klasgenootjes, teamgenootjes en ouders van klas- en teamgenootjes, die, met blikken die blijk geven van enige overweldiging en al dan niet gespeeld enthousiasme, meedoen aan alle bedachte spelletjes en waar mogelijk even ontsnappen in een oppervlakkig gesprekje over elkaar lang niet gezien hebben en echt weer eens bijkletsen – iets dat ik me overigens wel altijd heel stellig voorneem, want ik vind dat daadwerkelijk gezellig, maar in de dagelijkse praktijk komt het er dan vaak weer niet van, jammer is dat-) en kijkt met open mond en vol voorpret rond in de hallen waar ze volgend jaar misschien ronddwalen zal. Waar ze zich thuis zal voelen. Waar ze niet als bezoeker, maar als een van al die zelfverzekerde pubers waar ze nu nog met enige verwondering naar kijkt, haar jas op de grond zal mikken, op een bankje zal neerploffen en grappen zal maken over die gekke docent wiskunde. Of over haar idiote ouders, stel ik me zo voor.

Ze heeft al wél besloten naar welke school ze in ieder geval niet wil.  En dat ze tóch eigenlijk wel de oude talen wil gaan leren. Of misschien ook niet, als de school waar dát niet kan nu net leuker blijkt te zijn. Er is dus nog een hoop te beslissen.

We gaan nog even vrolijk door.

Mooi Buurserzand

Warme jassen aan, sjaals om (iedereen, behalve onze jongste, want die vindt een sjaal een van de meest afgrijselijke martelwerktuigen ooit bedacht en daar kunnen we hem met geen tien paarden vanaf brengen), handschoenen aan (iedereen behalve ik, terwijl ik zelfs van die handschoenen zonder vingers heb, zodat ik mijn camera nog steeds kan bedienen. Maar die was ik vergeten. Wat erg dom en onlogisch was, want ik ben altijd zó koud en ik ben ervan overtuigd dat mijn handen er in no time af zouden vallen in ware vriesstreken, omdat mijn lijf gewoon te bang wordt om door die ijsvingers aangeraakt te worden) en hop, daar gingen we. Met de hele groep aan de wandel in het Buurserzand. En oh, wat is het daar mooi.

Er waren heel veel goede bomen (er zijn nog veel meer móóie bomen, maar een góede boom is niet zozeer mooi, maar vooral beklimbaar. Niet te makkelijk, uiteraard, want dat is niet leuk. Maar zo dat je er nét met wat moeite in klimmen kan, en dan van boven neerkijkt op de oudere mensen beneden, die grapjes naar je roepen, maar dat is niet erg, want in je hart weet je dat ze zelf ook best wel zo hoog zouden willen klimmen, als ze het maar zouden durven, net als jij) en er was de suggestie van allerlei wilde dieren, want we moesten een hek door en dat goed sluiten en er stond iets over op een bord, en al hebben we die dieren niet daadwerkelijk gezien (onze jongste wist niet zeker of het nou een grap was dat we zeiden dat hij maar goed moest kijken of hij de giraffe kon vinden, dus voor de zekerheid speurde hij toch maar regelmatig de horizon af), het zonlicht op de hei en de bomen, en glinsterend op de waterplassen, was zo mooi dat we regelmatig even moesten stilstaan om simpelweg te genieten.

En als er dan aan het eind van de dag, na een heerlijk stamppot buffet, dat perfect is wanneer je koud en hongerig binnenkomt en je oren en vingers tintelen en dan ineens héél warm worden terwijl de rest van je lijf nog aan het nabibberen is – gek is dat -, als er dan ook nog eens marshmallows kunnen worden geroosterd boven een knappend vuur, dan kan je toch wel concluderen dat dit best een hele mooie en fijne dag was.

Cool

Ze zitten samen aan tafel te lunchen. De een een tikkie onderuit gezakt. De ander ferm rechtop, speurend over de tafel naar iets lekkers. Hij heeft me net verteld dat hij allergisch is voor volkorenbrood, wat ik eigenlijk niet helemaal geloof, maar vooruit, hij is nu aan de rijstwafels.

Van een afstandje volg ik met een half oor de gesprekken die ze voeren. Over een klasgenoot die enorm had rennen kan (“Zag je dat? Hij kan echt super hard yo!”) en de plannen die ze hebben om straks buiten een soort veldslag na te spelen. Ze scheppen een beetje op allebei (“Ik ben heel sterk, weet je.” “Ja, maar ik kan het beste voetballen, heb je dat wel gezien?”) en willen niet voor elkaar onderdoen. Maar als de één zachtjes aan de ander vraagt “wil je me even helpen met die boter? Ik kan dat niet zo goed”, springt de ander behulpzaam in de benen. Mooi vind ik dat. Jongens vriendschap.

“Mama! Doe eens? Toe?”

Als ik opschrik – ik was even afgedwaald in mijn boek – kijk ik in twee verwachtingsvolle snoetjes. “Doe eens een heks na, mam? Laat eens horen hoe je dat doet?”

Eerst aarzel ik even, maar ach, ik ben zo makkelijk over te halen. Dus ik kakel er even lustig op los. Wanneer ik stop staan ze even stil. Dan draaien ze om en terwijl ze de deur uitlopen krijgt mijn jongste een klap op zijn schouder van zijn vriendje. “Dat kan je moeder echt cool zeg.”

Ik kan het niet nalaten even te glunderen. Een coole moeder. Ik teken ervoor.

Nieuwjaarsconcert

Vorig jaar moest hij wat traantjes wegpinken, omdat hij het zó spannend vond. Dus ik hield hem een beetje in de gaten vandaag. Je weet het toch niet. Negen is al wel heel stoer en groot enzo, maar toch. “Moet ik je nog ergens bij hel…”, ik kon mijn zin niet afmaken, want hij was al weg. Vol stoere praatjes klom hij achter het drumstel en trommelde enthousiast een end weg.

Negen is toch inderdaad al heel stoer en groot.

Samen met zijn broer en zus zit hij bij de muziekvereniging waar ik zelf zo’n beetje bij ben opgegroeid. Ik ben dus wellicht wat bevooroordeeld, maar echt, het is zó leuk om die kinderen samen muziek te zien maken! Ik word dan direct een über-trotse mama, en zit ongegeneerd mijn hobospelende meisje, gitaar pingelende grote zoon, en dus drummende jongste toe te glunderen.

Vandaag was er een nieuwjaarsreceptie, met warme chocolademelk met slagroom, oliebollen, glühwein, spelletjes en een concert door de jongste leden.

Op dit soort momenten gaat het bij mij toch ook wel weer kriebelen hoor. Misschien moet ik toch ook maar eens mijn dwarsfluit weer afstoffen.

Als het buiten stormt

Nou ja, stormen. Laten we er niet te veel van maken. Maar hard waaien doet het wél! Toen ik een paar uur geleden in mijn auto wilde stappen en de deur een zwieper gaf was ik even bang dat hij het als het laatste zetje zag om er vandoor te gaan. Gelukkig zat hij steviger vast dan ik op mijn hakken stond. Ik kukelde bijna om. Maar daar kan ik de wind eigenlijk niet de schuld van geven. Ik wil gewoon nog wel eens onhandig zijn.

Ik heb besloten dat ik de rest van de schoolvakantie de illusie van het handhaven van mijn normale organisatieniveau maar volledig opzij ga zetten. Werk, fotografie, het naaien van mijn nieuwe winterjas, ik kan het vrolijk plannen allemaal, maar er komt steeds niets van terecht. Want er moet teveel gezelligs gedaan worden, dat begrijp je.

En dan kwam vandaag ook nog eens mijn oudste met de vraag of ik alsjeblieft foto’s wilde maken terwijl hij koekjes ging bakken voor school. Dat zorgde wel even voor verwarring in mijn hoofd. Ten eerste omdat bleek dat de koekjes voor het vak Duits gebakken moesten worden (creatieve docent, dat moet ik hem nageven. Ik heb vroeger ook Duits van hem gehad. Maar ik heb nooit koekjes hoeven bakken, bedenk ik me) en ten tweede omdat het zo’n unicum is dat mijn kinderen me vragen of ik foto’s van ze wil maken (doorgaans laten ze het goedgemutst over zich heen komen, maar staan ze er nou niet echt om te springen), dat ik het even rustig moest verwerken. Om vervolgens razendsnel mijn camera te pakken. Duh.

Dus zo stonden we in de keuken ineens, met bizar slecht licht, want degene verantwoordelijk voor het weer besloot dat het, nu het toch ook al zo aan het waaien was, ook nog wel lekker donker kon worden. Maar de koekjes zijn gelukt. En, volgens het spontaan ingevlogen testpanel hier (wonderlijk hoe uit allerlei hoekjes en gaatjes ineens kinderen tevoorschijn komen wanneer er koekjes uit de oven worden gehaald), ook nog eens heel lekker. Het receptje kan je trouwens hier vinden. Kan je ook nog eens je Duits wat oppoetsen. Dat bleek, toen zoonlief me vol misplaatst vertrouwen allerlei vertalingen vroeg, bij mij ook nogal nodig te zijn, want hemel, dat was aardig weggezakt.

Maar zo kwam er dus van de andere plannen niets terecht. Geeft niets. Dit was veel gezelliger. En ik heb zowaar ook nog stiekem een momentje gevonden om een bladzijde te lezen. Het lijkt wel vakantie zeg.

Gelukkig nieuwjaar

Ik zag narcissen vandaag. Narcissen! Midden in een grasveldje, dat bezaaid is met hondenpoep en waar je dus verder liever niet wil komen, stonden zowaar drie narcissen. Een tweetal en een eenling. Parmantig rechtop in de miezer regen. Dat is het bewijs natuurlijk. Het wordt lente. Duidelijker kan je het niet krijgen. Heerlijk he?

Uiteraard heb ik er ook een foto van gemaakt. Maar die mislukte. Kan zijn gekomen door de eerder benoemde hondenpoep en de nattigheid die ervoor zorgde dat ik maar amper de tijd nam om op narcissenhoogte te komen voor ik op de knop drukte. Dat het vandaag een beetje in mijn rug geschoten was (ik deed niet eens wat raars, behalve dan proberen me in een badpak van mijn dochter wringen omdat ze dacht dat dat best moest passen en ik wilde bewijzen dat het niet zo was – ik had gelijk) hielp daarbij wellicht ook niet mee.

Maar goed, we gaan dus richting lente. En dat samen met het heerlijke nieuw-begin gevoel van het nieuwe jaar zorgt ervoor dat ik barst van de plannen. Zoals het maken van een winterjas (al lijkt dat in het hele lente verhaal qua timing niet helemaal logisch, dat realiseer ik me) en überhaupt het weer oppakken van het naaien. Meer schrijven. Meer genieten vooral ook, want dat schoot er de laatste tijd toch zomaar nu en dan bij in.

En daarbij het stellige voornemen om weer meer te gaan fotograferen. Zodat ik vandaag, toen hij zo mooi in dat licht vanuit het zijraam zat te puzzelen, gelukkig weer eens mijn camera bij me had om dat prachtige plaatje vast te leggen.

Fijn 2018!

Sinterklaas – samen

We hebben veel gesprekken de laatste tijd aan de eettafel. Over zwarte pieten en of ze niet een ander kleurtje moeten hebben. Over of het aardig is om hardop te zeggen dat iemand een wat dikkere buik of onderkin heeft. Over dat het wel heel gemeen is om nare dingen te zeggen achter iemands rug om. We hebben gesprekken, waarbij ik voorzichtig uitleg waar #metoo voor staat, en waarom het gebruikt wordt. Om vervolgens de vraag te moeten beantwoorden waarom er mensen zijn die andere mensen aanraken, of zelfs pijn doen, als ze dat niet willen.

Ik vraag me af of ik vroeger dat soort gesprekken had met mijn ouders. Volgens mij niet echt. Niet omdat de wereld toen per se een betere plek was of er minder akelige dingen gebeurden, maar wellicht was het wat minder zichtbaar dan nu. In ieder geval werd er tussen de gesprekken over wie er aan de beurt was voor de afwas of waarom er een onvoldoende was gehaald voor Frans niet echt diep in gegaan op de psychologie van verkrachters. Iets waar je het natuurlijk ook eigenlijk niet over hoort te hoeven hebben met je kinderen van 9, 11 en 12. Maar ja. Als vragen worden gesteld zal er toch een antwoord moeten komen.

Maar de laatste paar dagen verstomden die gesprekken ineens. Want het is lastig praten wanneer je met je tong tussen je lippen geklemd zo precies mogelijk een figuurtje uit papier probeert te knippen. En de zware onderwerpen lijken ineens heel ver weg wanneer er in buikjes steeds meer zenuwachtige kriebels komen over wie wat voor wie gemaakt heeft. En wat voor cadeautjes er zullen zijn. Zenuwachtige kriebels die natuurlijk vol overtuiging ontkend worden, want ze zijn al zo groot, maar die, als je moeder eerlijk toegeeft dat ze eigenlijk bijna niet kan wachten tot het uitpakken begint, dan toch naar hartenlust mogen zwerven.

En dan, tijdens het uitpakken, het lezen van de gedichten en het bewonderen van de met zorg gemaakt surprises, is er even helemaal geen ruimte meer voor wat er ook maar naar zou kunnen zijn in de wereld. Dan gaat het even alleen maar om de grappen, de slappe lach bij een paar goed gekozen woorden, de vertederde blikken bij een enthousiaste kreet.

Dan gaat het alleen maar om samen. Daar zou het eigenlijk altijd om moeten gaan.