Wadi Al Arbaeen

We rijden door stoffige zandformaties en eindeloze zandvlaktes. Dat had ik anders wellicht saai vinden klinken, maar nu ik zie hoeveel verschillende kleuren en schakeringen in al die rotsen worden weergegeven, hoe elke meter weer een tikje anders is, en hoe het lijkt alsof ijverige schilders miljoenen jaren lang bezig zijn geweest om een prachtig patroon uit te tekenen, kijk ik ademloos om me heen.

Het rotslandschap lijkt zich eindeloos uit te strekken, met aan de horizon steeds hogere bergen. Nu en dan duiken er ineens geitjes op, die onverstoord de weg over sjokken, of even nadenkend blijven staan voor de wielen van onze auto. Het lijkt niet uit te maken wat we doen, de gedachte waardoor ze plots stil bleven staan moet blijkbaar worden afgemaakt, waarna ze weer rustig verder kuieren naar de weinige bruingroene bosjes, waar ze achter op hun poten tegen aan gaan staan om de zeldzame blaadjes die eraan zitten man te maken.

We rijden in een four wheel drive auto, iets dat geen overbodige luxe blijkt als de weg steeds onherbergzamer wordt, de wegen plots lijken te eindigen in steile afdalingen, of in bochten omhoog die ons duizelingwekkend scheef laten hangen (en uiteraard zijn juist dat de momenten waarop die geiten zo nodig filosofisch moeten gaan doen, vlak voor onze neus).

Maar dan opeens, vanuit het niets, zien we steeds meer groen voor ons verschijnen. Een beeldschone oase ligt middenin het onherbergzame rotslandschap, waar palmbomen staan rondom een meertje, gevormd door de rivier die hier doorheen loopt, en die op de meeste plekken is drooggevallen, maar hier toch genoeg water heeft verzameld voor deze prachtige plek, waar watervalletjes vrolijk klateren.

We springen over wat keien, niet altijd even succesvol, met als resultaat natte voeten, maar wat maakt het uit, dat droogt hier zo weer op. En we kijken, oh, wat kijken we onze ogen uit. Het is hier zó mooi.

We rijden nog een stukje verder, waarbij we nu en dan dwars door de toch best diepe rivier moeten en ik, ook al is de auto ervoor bedoeld, onbewust elke keer mijn voeten optil, omdat ik verwacht dat ze nat zullen worden.

Her en der tussen al die rotsen en zandvlakten vind je dan ineens een dorpje, gewoon een paar huizen schots en scheef tegen elkaar aangebouwd, waar we bij eentje, nieuwsgierig geworden, even doorheen wandelen. Wij blijken daar overigens niet de enige nieuwsgierigen, want al bij de eerste stappen zien we gezichtjes om deuren en ramen gluren, en worden we gevolgd door een groepje kinderen, met grote bruine vrolijke ogen.

Er wordt veel en vriendelijk gelachen en gegroet, maar ik krijg toch sterk de indruk dat ze ons maar vreemde vogels vinden, met onze belangstelling voor de smalle gangetjes in hun lief klein dorp.

Op het laatste stuk van onze route – we komen dit keer vooral ezels tegen trouwens – besluiten we een plek te zoeken om te lunchen. We vinden een heuse boom om ons picknick kleed onder uit te spreiden, en genieten van broodjes en gebakken eieren, terwijl de kinderen spelen met stenen in de zon.

Nou rest ons nog maar één ding: We hebben gehoord dat er ergens vlak in de buurt van waar we nu zijn een zogenaamde ‘sink hole’ is, waar, onderin een soort rond ravijn, heel diep, een watertje is waar in gezwommen kan worden. Dat is natuurlijk wel enorm aanlokkelijk, na al deze stoffigheid. Het duurde dan ook niet lang voordat, na aankomst, de kinderen in het water lagen (en vol bewondering en verwondering keken naar de mensen die van helemaal bovenop naar beneden sprongen. Doodeng!).

Morgen gaat er gesnorkeld worden, en worden er hopelijk dolfijnen gespot. Of de camera dan meegaat weet ik nog niet, zo in het water, maar het wordt ongetwijfeld een hele belevenis. Had ik al gezegd hoezeer ik me een geluksvogel voel?

Geef een reactie