Wahiba Sands – deel 2

Ik word wakker in het pikkedonker. Even weet ik niet goed waar ik ben, maar dan realiseer ik me weer dat we in de woestijn in een tent liggen. De bedden slapen heerlijk trouwens, ik waande me zo in een luxe hotel. Als even later de wekker gaat, hoor ik aan de zachte uitrek en gaap geluiden dat ook de rest van het gezin langzaam wakker wordt.

Ik doe het kaarsje naast het bed aan en spoor de kinderen zachtjes aan. Even lijken ze dieper onder de dekens weg te willen kruipen, maar als ik zeg “kom, straks missen we de zonsopgang in de woestijn!” zijn ze binnen een mum van tijd hun bed uit en in de kleren.

Het is verrassend koud, zo voordat de zon er is om de woestijn te verwarmen, en alles is bedekt met een klein laagje dauw. Daar heb je direct ook een deel van het antwoord op jouw vraag, Sacha, over waar de Bedoeïenen hun water vandaan halen om zich te wassen en te koken: het blijkt dat ze precies weten op welke plekken ze kunnen graven naar water, op hun routes door het droge zand (sommige van die waterkuilen blijven bestaan en krijgen de naam van degene die hem gegraven heeft, ook voor de generaties erna), maar ook dat ze soms in de avond platte stenen in de woestijn neerleggen, waar ze in de vroege ochtend de druppels vanaf kunnen halen om te stoppen in hun zelfgemaakte leren waterzakken.

Maar voor ons, verwende westerlingen, is de dauw, die als een dekentje over het zand ligt, alleen maar een extra laagje mooiigheid, terwijl we, dicht tegen elkaar aan om een beetje warm te blijven, bovenop een hoge zandduin, kijken naar hoe de lucht van bijna zwart, naar diep donker oranje, naar alle tinten roze en rood gaat bij het opkomen van de zon. Had ik gisteren al gezegd dat het hier adembenemend mooi is? Ik raak een beetje door mijn superlatieven heen in dit magische land, vrees ik.

Een beetje rillerig en klam klauteren we terug naar het kamp (het is een goede workout overigens, dat rondwandelen door het mulle zand. Echt, je hele lijf werkt mee om je voort te kunnen ploegen), waar we nog even stiekem terug onder de dekens kruipen om op te warmen, maar dan al gauw naar het ontbijt gelokt worden, waar warme thee en koffie en een tafel vol lekkernijen op ons wacht.

De zon klimt rap door naar boven nu en algauw gaan de vesten weer uit en de schoenen, die we uiteraard hadden uitgetrokken voor het ontbijt op de mooie rode kleden van de Bedoeïenen, niet meer aan. Het is zo’n lekker gevoel, dat warme zand tussen je tenen.

Er wordt gespeeld, niet alleen door de kinderen, en honderduit gekletst, want wij willen van alles weten over de cultuur van onze gastheren, en zij vinden het enorm leuk om er van alles over te vertellen. En, uiteraard, want dat hoort er dan natuurlijk wel helemaal bij, moeten er ritjes gemaakt op kamelen. De truc daarbij, mocht je het nog nooit gedaan hebben maar wel overwegen, is ontspannen, zo ontdekte ik. Dan is het een heerlijk schommeltochtje en begrijp je ineens helemaal waarom zo’n kameel ‘het schip van de woestijn’ wordt genoemd.

(Wist je trouwens, toch nog een klein weetje, dat de Bedoeïenen meer dan 160 woorden hebben voor kamelen? )

Vroeg in de middag besluiten we terug te rijden naar de wat drukker bewoonde wereld. Weer door de duinen, al schuivend en glijdend, langs kamelen en nu en dan een verdwaalde ezel, tot er langzaam steeds meer struikjes en bomen opduiken en we uiteindelijk terecht komen in een soort dorp aan de rand van de woestijn.

Het is een aparte omgeving, deze plaatsjes zo langs de grens van al die droogte. Alles is stoffig en doet een tikje vervallen aan, al zie je er ook huizen tussen staan met duidelijk liefdevol geverfde muren en deuren, als kleine pareltjes tussen het grint.

We stoppen even om de banden weer wat op te pompen en wat boodschappen te kopen voor de picknick op de terugweg. Het doet een beetje aan als een spookstadje, zo stil en verlaten lijkt alles. Maar heel af en toe zien we mensen, een vrouw die met een tasje met boodschappen haastig door de stoffige vlakte loopt, wat mannen die ook wat inkopen doen bij de rommelig aandoende winkeltjes op een rij langs de hoofdweg, een eenzame fietser en een groepje in het wit geklede jongens, dat duidelijk loopt te dollen en de grootste pret heeft samen, her en der mensen aansprekend en grappen vertellend (maak ik op uit het harde lachen dat erop volgt), en dat hier wellicht onder de term ‘hanggroepjongeren’ zou worden geplaatst..

Bij die laatste gedachte moet ik even grinniken, waarop ze me wat verbaasd aankijken, om dan heel vrolijk terug te grijnzen. Echt, volgens mij heb ik nog niemand ontmoet hier in Oman die niet vriendelijk was.

Dan rijden we terug, door droge vlakten, langs al die stenen bergen, met hier en daar in de verte een groene oase, met wat huisjes, een dorp, of een enkele geitenschuur. Terug naar de stad, waar we het zand van ons afwassen, een potje klaverjassen, dan vroeg ons bed in duiken na het vroege opstaan, en de herinneringen aan weer een prachtig avontuur veilig en voor altijd opbergen in ons hart.

Geef een reactie